Roestvast staal kan ook roesten!
Roestvast staal ontleent zijn roestvastheid aan
de aanwezigheid van een oxidefilm aan het oppervlak, die door een
passiveerbehandeling in optimale vorm kan worden verkregen.
Het in het staal
aanwezige chroom (minimaal 10,5%) vormt dan met zuurstof de chroomoxide huid.
Maar er zijn honderden typen RVS. Bovendien kunnen bewerkingen - zoals
bijvoorbeeld lassen - van grote invloed zijn op de uiteindelijke duurzaamheid.
Er zijn speciale laskwaliteiten in toevoegmaterialen voor RVS, bijvoorbeeld de L-typen die een extra laag koolstofgehalte hebben. Erg bekend zijn 304L en 316L.
Gebruikt men echter de gewone type 304 of 316, dan kan interkristallijne
corrosie optreden. De oorzaak van interkristallijne corrosie is dat de
samenstelling en/of structuur van de legering langs korrelgrenzen anders is dan
in de rest van het metaal. In een zone naast de lasnaad, waar temperaturen van
rond 500 graden Celsius hebben geheerst, verbindt de koolstof zich met chroom
uit het staal tot chroomcarbidekristallen. De kristallen vormen bij voorkeur
kiemen op de korrelgrenzen (daar is de meeste ruimte en energetisch is de
vorming van kristalkiemen daar het gemakkelijkst) en deze kiemen groeien uit tot
grotere chroomcarbidekristallen. Daarbij wordt koolstof, dat zich gemakkelijk
verplaatst, aan de gehele matrix onttrokken, maar chroom, dat zich trager
verplaatst, komt alleen van de korrelgrenzen. Daardoor ontstaat een chroomarme
zone langs de kristalgrenzen. Het roestvaste staal verliest daar zijn
corrosieweerstand en langs de kristalgrenzen wordt het metaal aangetast.
Oppervlakte behandelingen spelen een grote rol
bij de verbetering van eigenschappen. In een onderzoek van het Nederlands
Instituut voor Lastechniek wordt geconcludeerd: "In praktische termen is de
corrosiebestendigheid na beitsen vrijwel gelijk aan die van het ongelaste
materiaal".
(voor u gelezen in oppervlakte techniek van "Vraag en
Aanbod" d.d. 14-09-2001)